September 1985 vertrok ik met mijn neef Bram op een soort wereldreis. Nog anderhalve maand op Vlieland gewerkt. Mijn baan opgezegd, mijn spullen opgeslagen bij opa en oma in Blaricum. Op weg om mijn broer Arjen te ontmoetten die in Cairns (Australië) woonde en die ik al acht jaar niet meer had gezien. We vlogen naar Delhi en zouden via Nepal, terug Delhi, Singapore, Indonesië naar Australië gaan. Daarover later meer.
Dit verhaal begint nadat we een aantal maanden bij mijn broer en zijn vriendin Jose hadden doorgebracht en het geld aardig op was. Er moest (illegaal) worden gewerkt.
De eerste week in Cairns reed ik al linksrijdend in de avonden pizza’s rond, het klusje kreeg ik via vrienden van Arjen. Het was een stressvol gedoetje aangezien ik links moest rijden, de stad niet kende en alle buitenwijken vrijwel onverlicht waren. Tevens ontbraken vaak de nummer aanduidingen zodat ik als een kip zonder kop rond rende zoekend naar het juiste adres en regelmatig heftig zwetend (het is echt een tropisch klimaat) een koude pizza afleverde.
Na een week hield dit baantje op… Toen kregen we een klus om een auto te schuren en te spuiten. Twee dagen werken en betaald worden met een opaaltje in een soort goud laagje, daar kun je niet van eten. Het ligt nog steeds op een boekenplank als herinnering.
Uiteindelijk vonden we een baan en moesten bij de Furtilizer Factory betonnen platen aanleggen. Het was zwaar werk en we werkten op Hollands tempo zodat we eigenlijk voortdurend voor op schema lagen en de aannemer kwam klagen en ons de opdracht gaf het rustiger aan te doen. Het was namelijk geen aangenomen werk maar hij kreeg voor de uren betaald.
Door de hitte en de zwaarte van het werk bestonden mijn handen alleen nog maar uit gigantische blaren wat voor behoorlijk wat ongemak zorgde. ‘S nachts sliep ik met mijn armen omhoog zodat het lymfe vocht langs mijn armen omlaag drupte. Al met al een zeer pijnlijke toestand die niet makkelijker werd omdat het werk gewoon doorging. Een Australische werknemer van de fabriek zag mijn handen zei: “Fucking hell!” en gaf mij het advies er overheen te plassen dan zouden de blaren indrogen. Het leek inderdaad iets te doen.
Het werk zat er bijna op toen onze aannemer ons vroeg of we mee wilden om zeeslakken te duiken op het rif. Hij had zich als investeerder ingekocht in een project waarbij iedereen rijk zou worden. Zeeslakken leverden goed geld op bij de restaurants in Sydney en de slakkenhuizen zouden aan de toeristen worden verkocht.
Voordat we het wisten monsterden we aan bij Tom, de kapitein van een klein schip – zo’n 15 meter lang. Ieder bemanningslid mocht een treetje bierblikjes meenemen. We zaten met vijf man op het schip. Tom de kapitein, twee zwarte jongens – parelduikers van Thursday island en wij tweeën.
Daarnaast ging de Coulabah, een jacht, mee met daarop een tiental duikers twee bazen en hun echtgenotes die voor de maaltijden moesten zorgen.
We voeren naar het rif zo’n 30-40 km buitengaats. Het was het cyclonenseizoen dus het weerbericht en de zich eventueel ontwikkelende cyclonen werden nauwlettend in de gaten gehouden. We voeren met dinghy’s vanaf de moederschepen het rif op om aan de andere kant waar het rif weer afdaalt naar de diepe zee te duiken. Door de geringe diepte hoefden we geen zuurstofflessen te gebruiken, gewoon snorkel, bril en flippers. Het rif was schitterend, overweldigend mooi en ook beangstigend te gelijk. Door de swell zag je het ene moment een reusachtige waaier van koraal van een meter of twee bovenaf, het volgende moment lag je er met je neus bovenop.
De eerste dagen was het vooral verkennen en zoeken naar goede plekken om de slakken te oogsten. Toen dit proces opgang kwam stonden Bram en ik de hele dag slakken te koken in een reusachtige kook bin. Het vlees en de ingewanden trokken we er met een soort haakje uit. Het hele dek lag vol met deze drek, het vlees ging de vriezer in. De schelpen bikten we zo goed mogelijk schoon en stuwden we in grote zakken in het ruim.
Na een lange dag van werken voeren we met de bemanning van onze boot naar de Coulabah om daar te eten. Al snel bleek dat de porties die de beide dames maakten bij lange na niet voldoende waren om de duikers, die zo’n acht uur per dag in het water lagen en ons te voeren. Bram en ik werkten na het eten nog door en kwamen op zo’n zestien uur per dag.
Toen ik in een van de eerste dagen nog zelf mee mocht duiken voeren we met een dinghy naar de andere kant van het rif. We voeren dan met slechts een meter water onder het bootje over een lichtblauw rif met allerlei schitterende kleuren van plantjes, koraal en kleine visjes. Toen ik eenmaal in het water een eind van de dinghy was afgedwaald kreeg ik een unheimisch gevoel… Ik keek om mij heen en zag tussen mij en de dinghy op een meter of vijf een rifhaai cirkelen. Ik schatte het op een anderhalve meter. Maar kneep hem behoorlijk. Ik besloot over hem heen te zwemmen en ben als een haas de dinghy ingeklommen.
Wanneer de dinghy’s weg waren en wij even niets te doen hadden doken Bram en ik vanaf het dak van ons schip de zee in. Toen de duikers dit hoorden van Tom werden ze kwaad en zeiden dat je dat absoluut niet moest doen. De plons, het geluid en schuim in diep blauw water zou haaien aantrekken, niet doen!
De vangst viel tegen, er kwam langzaam aan een lichte omslag in de stemming.
Over het besluit tot muiterij en meer. Wordt vervolgd….