In mijn herinnering was ik als kind regelmatig ziek. Als peuter had ik af en toe bronchitis en moest, zo vertelde mijn moeder mij later, van de huisarts af en toe met ijskoud water worden begoten.
De eerste herinneringen van `het ziek thuis blijven’ stammen uit de periode dat wij in Amersfoort woonden. Ik was een jaar of zeven en aangezien mijn beide ouders werkten bleef ik alleen thuis in onze flat drie hoog. Tegenwoordig zou er door oplettende buren een zorgmelding worden gedaan (niet geheel onterecht). Mijn beide ouders werkten met moeilijk opvoedbare jongeren dan wel kinderen in internaten, onder voogdij en noem maar op. Mijn broer en ik hadden het per definitie beter dacht ik later wel eens cynisch.
Ik onderging dit ziek zijn met gemengde gevoelens. Aan de ene kant was het wel eens fijn om niet naar school te gaan, aan de andere kant voelde ik me erg eenzaam en had ik het gevoel van alles te missen. Eindeloos draaide ik platen en droomde weg bij de plaatjes op de hoezen.
Van alle keren dat ik ziek thuis was, zijn de herinneringen aan de geluiden overheersend: Ik hoor nog die mengeling van gedempte geluiden van buiten doordringen. Van het leven dat langzaam op gang komt, het langzaam wegebbende geluid van kinderen die naar school gaan, pauze hebben, en uiteindelijk weer het uit gaan van de school; met de geluiden van uitgelaten kinderenstemmen, roepen van namen, kreten en gillen verdwijnend door afstand of snelheid van bewegen.
Soms stond ik uren voor het raam en keek hoe de wereld door ging zonder dat ik er aan deelnam; met een mengeling van nieuwsgierige observatie en een tijdloos gevoel van oneindige eenzaamheid. Het leek een eeuwigheid te duren voordat ik de sleutel van mijn moeder in het slot hoorde en er een eind kwam aan een lange wollige dag en het gewone leven weer zijn loop kreeg. Soms brachten mijn vader of moeder wat mee omdat ik ziek was…