Gedurende de oorlog woonden mijn opa en oma van vaders kant aan de Admiralengracht te Amsterdam. Aangezien mijn (stief)opa Joods was moest hij al snel onderduiken. Hij deed dat gewoon thuis en zat op precaire momenten in een door een schot afgeschermde ruimte. Mijn oma reed op haar fiets half Noord-Holland door op zoek naar aardappelen en andere levens middelen. “Boer ik zie dat u een goed mens bent!” was haar openingszin. Soms kreeg ze wat eetbaars en soms ook niets en soms werd haar buit na een hele dag rondfietsen en bedelen bij een controle post in beslag genomen. Hiernaast kregen zij ook voedselbonnen van het communistisch verzet. Voor de oorlog verkeerden ze al in kringen van kunstenaars en anarchisten. Een van deze huisvrienden was Henk Henriët. Hij kwam dus met enige regelmaat bij mijn opa en oma thuis om bonnen te brengen. Op verjaardagen luisterde ik met rode oortjes naar het verhaal over Henk. Hier volgt het verhaal waarbij ik mij beperk van de Oorlogsjaren tot zijn overlijden (bron: Henk Henriet (Kamp Amersfoort).
Henk HENRIËTDe oorlogsjaren
Tijdens de Duitse bezetting raakte Henriët als vanzelf snel en actief betrokken bij het kunstenaarsverzet. In deze organisatie trok Henriët op met Frederik Jan van Hall – de op 8 mei 1899 in Midden-Java geboren voortrekker van deze verzetsgroepering. Na een traditionele (handels)-scholing, koos Frits – die een volle neef was van de Amsterdamse Van Halls, Gijs en Walraven, de bankiers van het verzet – echter zijn eigen weg: de beeldhouwklas van professor J. Bronner aan de Rijksacademie van Amsterdam. De in het kunstenaarsverzet uitmondende relatie tussen de familie Henriët en Van Hall had zijn wortels in de vooroorlogse vriendschappen en verstandhoudingen en liep via de kunst en de politiek. Behalve dat er hartstochtelijk werd feestgevierd in de crisisjaren, is er ook met hartstocht van alles georganiseerd om de natie wakker te schudden voor het dreigende fascisme. De Henriëts waren, in crisisjaren en oorlogstijd, een onderdeel van het linkse culturele circuit. Ad Windig, die door Frits van Hall werd bekeerd tot het communisme, raakte via Van Hall bevriend met Henriët. Ad Windig: ‘Frits van Hall drukte zich tijdens gesprekken in prachtige aristocratische bewoordingen uit over het communisme. Henriët was meer recht toe recht aan, van: je bent communist of niet.’ De kunstenaars die niet voor de Kultuurkamer hadden willen tekenen, mochten hun werk niet exposeren. Het was Van Hall die voor de financiële ondersteuning van weigerende kunstenaars de eerste contacten legde met bankiers en zakenlieden en begon met het organiseren van clandestiene tentoonstellingen op particuliere adressen. Als koerier van het steunfonds liep hij in augustus 1943 in de val. Na tien weken gevangenis aan de Weteringschans volgden de kampen Vught, Dachau en Auschwitz. Tot aan Dachau is het hem gelukt reliëfjes te maken, alsof hij zichzelf en anderen uit klassieke schoonheid kracht wilde laten putten. Tijdens het Russische offensief in januari 1945 werden de gevangenen door hun bewakers westwaarts gedreven. Uitvallers werden zonder pardon neergeschoten – zo ook Frits van Hall. De echtgenote van een van zijn Hattemse neven, de energieke Hilda van Hall, nam het werk over. Hilda, zelf kunstenares, stelde met haar activiteiten kunstenaars in staat om via een niet openbaar circuit werk van zichzelf te verkopen. Om zijn politieke prenten werd Henriët vanaf het begin van de bezetting gezocht door de Duitsers. Henriët weigerde zich echter te verstoppen en bleef actief binnen het verzet. Tussendoor, zo bewijzen de op naam en adres gestelde visaktes, bleef hij met zijn vrienden vissen. Hij hielp Joden en politiek vervolgden waar hij kon en zorgde voor de benodigde papieren en voor onderduikadressen, verspreidde wapens en onderhield koeriersdiensten tussen Amsterdam-Putten en Zwolle enz. Daarvoor onderhield hij onder meer contacten met de door beeldhouwer Gerrit van der Veen en drukker Frans Duwaer opgerichte Persoonsbewijzencentrale (P.B.C.) en met de verzetsgroep rond Arie Jansma en verzetsman J.J. Dankaart. Henriët weigerde lid te worden van de Kultuurkamer. Dit instituut werd naar het voorbeeld van de Kulturkammer van Hitlers propagandaminister Joseph Goebbels, formeel op 25 november 1941 door de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche Gebied, Seyss Inquart, in het leven geroepen. Het was een instrument van de bezetter om kunstenaars – schrijvers, beeldend kunstenaars, architecten, toneelspelers, muzikanten of podiumartiesten – in de pas te laten lopen van de “Nieuwe Orde”, en om Joden uit het culturele leven te verwijderen. Iedereen die weigerde lid te worden, mocht niet meer werken. Ook heeft Henriët meegewerkt aan het organiseren van clandestiene tentoonstellingen uit Twente en Arnhem. Daarbij verkocht hij werk van en voor zijn collega-kunstenaars. Ondanks zijn verzetswerk voelde Henriët zich geen held. Hoewel hij tegenover Ger Gerrits, aan wie hij een tekening van Tonia schonk, regelmatig zijn angst uitte om doodgeschoten te worden, twijfelde Henriët nimmer. Soms ging hij wel eens wat zorgeloos te werk, waardoor hij zijn vrienden doodsangsten bezorgde. Henriët was veel onderweg en wisselde vaak van adres om een arrestatie te voorkomen. Wanneer het voor hem nodig was om onder te duiken trof Tonia haar eigen voorzorgsmaatregelen. Heel bewust legde ze dan een uitgave van ‘Mein Kampf’ op tafel voor het geval het huis doorzocht zou worden. Als dat gebeurde en de Duitsers naar Henriët vroegen, zei Tonia in de deuropening tegen hen: ‘Hij komt er bij mij niet meer in’. Dat had het bedoelde effect, want er werd dan nooit verder gezocht.
ToniaDe inval bij Nel de Boer
In december 1942 deed de SD een inval in de huurwoning van Nel de Boer aan de Linnaeusparkweg 52 III. Zij leefde daar met haar twee kinderen, voortgekomen uit de buitenhuwelijkse samenleving die zij en Henriët onderhielden. Rond middernacht forceerde een groep van vier in burger geklede Nederlandse politiemensen en twee in uniform geklede Duitsers de voordeur. Direct daarna rende het zestal door alle kamers en vond in twee daarvan onderduikers. Op het tijdstip van de overval, vermoedelijk een gevolg van verraad, was namelijk niet alleen Henriët tijdelijk aanwezig, maar ook twee in het pand clandestien 11 verblijvende Joden; de op dat moment één jaar bij Nel ondergedoken onderwijzer Louis Hoepelman en de enige maanden bij haar ondergedoken violist Jo Overste. Hoepelman en Overste gingen wel eens het huis uit. Hoepelman voor zijn eigen verzetswerk en Overste vanwege zijn werk als musicus. Ook de maaltijden gebruikten zij wel eens op andere adressen dan in de woning aan de Linnaeusparkweg. De vrouw van Hoepelman en hun dochtertje – Louise Steenhuis-Hoepelman – waren vlak voor de overval op een ander adres ondergedoken. Mevrouw Hoepelman en haar dochter Louise overleefden de oorlog. Louise deed dat samen met 50 andere kinderen. De tussen 1933 en december 1943 geboren 51 kinderen behoorden tot de zgn. “Onbekende Kinderen”. Hun ouders waren in staat ze te laten onderduiken, maar na verraden te zijn, werden ze individueel naar Kamp Westerbork overgebracht. Op 13 december 1944 werden deze 51 kinderen naar Bergen-Belsen getransporteerd. Van deze “Gruppe Unbekannte Kinder” bestaat een op 13 september 1944 gedateerde transportlijst. Een dergelijke tweede lijst – bestemming Auschwitz – is gedateerd op 17 november 1944. Door een wonder werd de naam van dit kamp echter doorgestreept en veranderd in Theresiënstadt. Daar werd de groep kinderen in mei 1945 door de Russen bevrijd. De kinderen werden zo goed mogelijk verzorgd door geïnterneerde Nederlandse vrouwen. De kinderen waren bij de Duitsers onbekend, omdat zij alleen hun onderduiknaam wisten of nog helemaal niet praatten. Na een in 1993 opgestarte zoektocht zijn inmiddels 49 kinderen – hoewel niet allemaal meer in leven – bekend. Om de herinnering levend te houden en deze geschiedenis door te geven aan het nageslacht hebben de overlevenden een het “Onbekende Kinderen Park” in Israël gesticht. Zowel Louis Hoepelman, Jo Overste, als Henriët werden afgevoerd. Henk, die naar de verklaring van Nel tijdelijk op haar adres verbleef, werd overgebracht naar het hoofdbureau van politie aan de Marnixstraat, de beide Joden naar Westerbork. Later werden zij in Auschwitz vergast. Vanwege de heel jonge kinderen werd Nel niet meegenomen, maar wel verplicht in de woning achter te blijven. Henriët, die in het bevolkingsregister niet op het adres Linnaeusparkweg 52 III, maar op zijn eigen adres, Alexanderstraat 2 hs, stond ingeschreven, werd waarschijnlijk alleen maar meegenomen, omdat hij toevallig als man in de woning aanwezig was. De arrestatieploeg had kennelijk niet in de gaten dat hij als verzetsman werd gezocht. Kees Heijdenrijk – die als lijstenmaker en kunsthandelaar ook Duitsers als klanten had – gelukte het om Henriët vlot vrij te krijgen. Na het nog aanwezige verzetsmateriaal verbrand te hebben, doken Nel en haar kinderen onder bij fotograaf Cas Oorthuys en zijn vrouw Lydie aan de Amstel 3. Henriët was nooit lang op één adres, ook niet op onderduikadressen, en bleef zich ook nu actief inzetten voor het verzet en was hij aldoor in het land onderweg. Na ongeveer vier maanden verruilden de onderduikers, hun woning aan de Linnaeusparkweg 52 III was door de SD leeggehaald, het onderduikadres aan de Amstel voor een leegstaand zomerhuisje aan de Schapendrift 12 in Blaricum. De bewoning werd om veiligheidsredenen met toestemming van de Blaricumse burgemeester J.J. Klaarenbeek niet in het gemeentelijke bevolkingsregister geregistreerd. Na het bekend worden van de dood van Henriët getuigden Mr. E. Heldring – woonachtig op Schapendrift 18, Blaricum, en Jan Musch – woonachtig op Raboes 23 te Laren, van hun medeleven aan Nel de Boer. Beide heren getuigden respectievelijk op 23 december 1948 en op 24 december 1948 van de samenwoning vanaf 1943 tot aan de arrestatie van de kunstenaar van Henriët en Nel de Boer en de twee kinderen Marius en Adrienne. Opgemerkt moet worden dat ook in dit tijdvak niet van een voortdurende samenleving sprake was en ook in deze periode Henriët voortdurend onderweg was. In het najaar van 1944 hebben de onderduikers vanuit hun achtertuin (Schapendrift 12) de vuurzee gadegeslagen van de verderop gelegen in brand geschoten villa ‘t Pomphuis. Het betreft de woning annex atelier/weverij van naaldkunstenares mevrouw M.G. (Truus) van Krimpen, Eemnesserweg 24. De brand werd aangestoken als represaille voor het plunderen van de woning van de NSB’er A. Regoort, waarschijnlijk op Dolle Dinsdag. De tot de grond toe afgebrande woning was een onderkomen van onderduikers en bovendien waren er wapens en munitie opgeslagen. De brand vond plaats op 8 september 1944 om 13.30 uur. De Duitsers voerden de Joden af en bonden de eigenaren van de villa aan de bomen vast, waarna deze moesten toekijken hoe alles werd vernietigd. Net als op nr 12 vonden op Schapendrift nr 14 eveneens Joodse en illegale onderduikers onderdak. Henriët kwam met veel geluk vrij, maar weigerde ook daarna onder te duiken. Op het laatst van de oorlog maakte Henriët voor zowel het verzet, als het verzamelen van voedsel voor zijn gezin diverse tochten in het land. Men kwam hem in weer en wind overal tegen op een fiets zonder rubber banden. Zijn laatste tocht in december 1944 werd hem fataal. In deze laatste maand van 1944 ging hij – na met zijn gezin het Sinterklaasfeest te hebben gevierd – met zijn zoon Wouter vanaf hun huisadres – Alexanderstraat 2 hs – voor een voedseltocht op een heren- en damesfiets onderweg naar Oldebroek op de Veluwe. Daar sliepen ze in een hooiberg. Tonia had een zak met kinderkleren meegegeven om die te kunnen ruilen voor etenswaar. Op weg naar Putten nam Henriët allemaal achterafweggetjes om razzia’s te vermijden. Voorbij Nijkerk werden Henriët en Wouter onverwacht aangehouden door een Duitse soldaat met een geweer op zijn rug en een veldtelefoon aan zijn fiets. Henriët schrok vreselijk, maar de Duitser zei: ‘Guten Tag, ich bin nicht böse. Gehen sie mal weiter.’ Een uur later kwamen Henriët en Wouter op vrijdag 14 december 1944 in Putten aan, waar Henriët relaties onderhield met de illegaliteit. Henriët wilde enkele mensen ontmoeten. 12 Gerda, die bij de familie Bazaan logeerde, had met kennissen afgesproken, dat zij een Sansevieria voor hun raam zouden zetten als het veilig was en van de vensterbank zouden verwijderen als het onveilig was. Uit dit geheime teken kon Henriët dan zijn conclusies trekken. Of er iets is misgegaan met deze code, en zo ja, waardoor, is niet te achterhalen, maar een feit is dat Henriët gewoon naar de woning van de familie Tijssen onderweg ging. Op de Garderenseweg 10 in Putten, het adres van de familie Tijssen, was het post- en contactadres van de illegaliteit gevestigd. De familie Tijssen had een belangrijk aandeel in deze illegale groep. Hoewel er geen direct contact bestond tussen de familie Tijssen en Henriët, kenden de betrokkenen elkaar van eerdere ontmoetingen, wanneer Henriët in Putten dan wel in de buurt van deze plaats moest zijn. In hoeverre Henriët op deze dag bij illegale werkzaamheden betrokken was, is niet meer na te gaan. Wel is duidelijk dat hij met meerdere kunstenaars omging. Zo onderhield hij contacten met de graficus en kunstschilder Johannes Bazaan. Bazaan woonde vanaf 27 juni 1921 met zijn vrouw M.G.H. Broekema in een door zijn schoonvader ontworpen huis aan de Postweg no 41 te Putten. De woning was omgeven door een grote lap grond, een kostbaar bezit die de familie jarenlang aardappelen, groenten, fruit en bloemen opleverde. In 1944 hadden zich na de bevrijding van België op de Veluwe de manschappen van de Vlaamse SS samengetrokken. Het waren de leden van deze zeer beruchte SS-eenheid, die op 14 december 1944 behalve Henriët, ook nog anderen personen uit Putten arresteerde. Dat overkwam o.a. de koerierster Corry de Haan en Jeanne Bosz, Piet Oosterbroek, de familie Tijssen met hun twee dochters, de broers Jannes en Klaas Simon, Cornelis van den Broek, Willem van Dijkhuizen en Steven van der Pol. Behalve uit Putten werden ook inwoners van het buurtschap Drie opgepakt: Abraham Born en zijn zoon Evert, Bram Eikenhorsten en Herman Leus. De laatste werd in de bunker te Drie gearresteerd en behoorde tot de slachtoffers van de represaillemaatregelen, die naar aanleiding van de aanslag op Rauter werden genomen. Herman Leus werd met 166 anderen bij de Woeste Hoeve op 8 maart 1945 gefusilleerd. Weduwe G. Tijssen verklaart: ‘Op 14 december 1944 kwam bij mij op doorreis naar Staphorst om eten te halen de heer Henk Henriët met zijn zoon. Direct contact in verband met illegaliteit hadden wij niet met hem, hoewel het ons wel bekend was dat hij in Amsterdam op behoorlijke wijze aan dat werk deelnam. Tengevolge van eerdere arrestaties, vond op dien dag een overval ten mijnen huize plaats, ten gevolge waarvan ik, mijn beide dochters, commensaal Schipper en de heer Henriët en zijn zoon het slachtoffer werden. Bovendien werden daarvan ook nog de dupe een aan huis komende melkboer genaamd S. Pol. Deze arrestaties waren het gevolg van door ons verrichte illegale werkzaamheden tezamen met o.a. den heer Oostenbroek, wonende De Leemkuil, Born en gezin te Drie, gemeente Ermelo, alwaar een zender was. Henriët werd vervoerd naar Ermelo, daarna naar Apeldoorn, vervolgens naar Amersfoort en vandaar getransporteerd naar Neuengamme. Alhoewel Henriët niet direct voor illegaal werk bij mij kwam, wil ik er toch op wijzen dat zijn arrestatie wel een gevolg was van illegaliteit door ons verricht. Aldus opgemaakt door mevrouw G. Tijssen, wonende aan de Garderenseweg 10 te Putten op 18 juni 1948.
Arrestatie Putten
Toen Henriët en Wouter waren aangekomen bij de woning van de familie Tijssen aan de Gardenseweg 10 te Putten en zij binnen waren, sloeg het nootlot toe. De woning bleek “besmet” te zijn en in de gaten te worden gehouden door de SS, die na vijf minuten de woning binnenviel en iedere aanwezige arresteerde. Behalve Henriët en Wouter pakten de Duitsers ook melkman Van de Pol op, die toevallig op dat moment in de woning aanwezig was. De arrestanten werden naar Apeldoorn gebracht en daar in de gevangenis met 11 personen in een drie-persoons-cel opgesloten. Na drie dagen werd Henriët met vijf andere gevangenen uit hun cel gehaald. Wouter had een overjas van zijn vader aan die hij toen aan hem teruggaf. Met twee overjassen aan werd Henriët vervolgens op last van de Sicherheitspolizei Apeldoorn op 19 december 1944 naar Kamp Amersfoort getransporteerd, waar hij werd geregistreerd als politiek gevangene onder het nummer 9603. Daar zat op dat moment zijn vriend Theun de Vries al gevangen. Wouter bleef met vier anderen opgesloten in de cel. Die gaven hem briefjes, die Wouter – toen hij na enkele dagen werd vrijgelaten – in zijn kleding mee naar buiten smokkelde. Vanuit de Apeldoornse gevangenis ging hij vervolgens onderweg naar Amsterdam. In Voorthuizen stapte Wouter van de vrachtwagen af, waarna hij naar Putten liep. Op 27 december belde hij daar – halfbevroren, in het te korte broekje en te krappe jasje waarin hij eerder was gearresteerd – aan bij de familie Bazaan, waar Gerda bij haar verloofde Jaap Bazaan logeerde. Na een warm bad kwam hij weer op temperatuur en hoorde Gerda als eerste iets van de gebeurtenissen rond Henriët. De briefjes die zijn medegevangenen aan Wouter meegaven, moesten zo snel mogelijk worden bezorgd. Al de volgende dag ging Wouter terug naar Putten om daar zijn fiets op te halen bij het huis van de familie Tijssen. Samen met Gerda fietste Wouter vervolgens naar de verschillende adressen, waar zij de briefjes afgaven aan dankbare familieleden. Van hen kreeg het tweetal uit dank spek, brood, tarwe en aardappelen mee. Met twee tassen vol voedsel fietste Wouter tenslotte 13 terug naar Amsterdam. Gerda bleef in Putten.
Kamp Amersfoort
De eerder gearresteerde en in Kamp Amersfoort opgesloten auteur Theun de Vries ontfermde zich over Henriët. De Vries, die na zijn verhuizing in 1937 naar Amsterdam Henriët had leren kennen, zorgde er voor dat de ondervoede Henriët wat extra te eten kreeg. Henk werd in barak X ondergebracht. Eind december 1944 schreef Henriët vanuit Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort op twee kleine notitieblaadjes uit een agenda het volgende briefje aan Tonia: Dag lief mens, het is zoals je merkt niet erg best met onze tocht verloopen. Wij waren even bij de petroleumvrouw aangegaan, omdat ik nog wat dacht te kunnen ruilen en daar is iets gepasseerd. Plotseling huiszoeking enz., dus wij moesten mee. Wout ook. Ik hoop dat jullie het nu zonder mij kunnen stellen. Vraag in ieder geval het geld van Verduin, dan aan Jet van Eyk, en vraag vooral of Hoogendijk je helpen wil en Kees. Het spijt mij ontzettend dat ik nu niet meer op voedsel uit kan gaan. Laat Wout naar Roel en Stien gaan en blijven. Misschien een bij Hilda. Laat ook een boodschap in Laren brengen. Ik vind het jammer nu alles zo moeilijk wordt dat ik er niet bij ben om de levensmiddelen op pijl te houden. Ik geloof niet dat ik vrij kom, want ieder wordt aan het werk gezet in Amersfoort of de IJssel. Nu lieveling, ik eindig maar, ik weet toch verder niet dan goeds voor jullie allemaal. De behandeling is hier goed. Mocht jullie een oplossing weten te vinden in enkele dagen om wat schoon ondergoed te sturen en mijn winterjas waarin de voering tabak op een handige manier verstoppen. Alles wat hier gebracht wordt aan voedsel en toiletartikelen mag de gevangene hebben. Probeer ook een schetsboek maar ik weet niet of dat lukt. Ook handdoek en zeep enz. Nu moeder. Kees moet je maar bij alles helpen en verder veel geluk met je verjaardag. Ik rol er verder wel door, omhelsd van Henk.’ In een brief aan Tonia toont hij zijn menselijkheid. Hij schrijft haar hoe na een ontvluchting de andere gevangenen op handen en voeten uren in de sneeuw hebben moeten kruipen. Als hij aan deze gevolgen denkt, wil hij niet bevrijd worden. Frans de kok zorgde ervoor dat Henriët papier en potlood kreeg, waardoor hij snel kon gaan tekenen. Frans, die voor niemand bang was, liet zichzelf als eerste portretteren en ging met het portret naar het SSkamp. Henriët heeft na het portret van Frans nog veel andere portretten gemaakt. Van zowel gevangenen, als Duitsers. Door het tekenen bloeide Henriët helemaal op en genoot hij een zekere vrijheid. Hij moest wel op appèl komen, maar kon verder gaan en staan waar hij wilde. Soms werd hij in het SS-kamp geroepen om daar een Duitser of een liefje van een van hen te tekenen, maar dat werd hem door de overige gevangenen niet kwalijk genomen. Overleven was het enige wat gold. Er is geprobeerd Henriët te bevrijden uit Kamp Amersfoort. In eerste instantie wilde Arie Jansma Henriët met valse papieren, een vervalst Entlassungsschei,n uit het kamp krijgen. Tijdens de voorbereidingen werd echter duidelijk dat Henk al naar elders was getransporteerd.
In een brief schrijft Ger Gerrits aan Theun de Vries: […] ‘Beste Theun de Vries, Jouw persoon is voor mij onverbrekenlijk verbonden met de herinnering aan Henk Henriët. Toen wij de ontvluchting uit het kamp voorbereidden en ik er met Jaap Bot over sprak, gaf hij te kennen dat de partij steun (C.P.N.) zou geven mits ook jij bevrijd zou worden. Het begon met brieven binnen te smokkelen en je kent het verloop. Helaas is het met Henk toen mis gegaan, maar met jou hebben we een rijke buit uit de klauwen van het tuig weten te redden. Hoe rijk hebben wij kunnen merken na de oorlog. De ophitsende ontplooiing van je kunstenaarsschap en de buitengewone productiviteit. Ik wens je heel hartelijk geluk met de hoogste onderscheiding op literair gebied in Nederland (de PC-Hooftprijs 1962). Je zult nooit ridder in de Orde van Oranje Nassau worden. Maar voor ons ben je de ridder zonder vrees of blaam. Die niet een bloederig zwaard hanteert, maar de pen en het woord als wapen weet te gebruiken. Onomkoopbaar, zoals uit het weerwoord aan de minister bleek. Wij hebben genoten. Ik wens je gezondheid en een lang strijdbaar leven toe. De concepttekst van de brief is niet gedateerd en duidelijk ondertekend, maar is naar de volle overtuiging van de heer Henk Walst – neef van en eigenaar/beheerder van het familiearchief Ger Gerrits – door Ger Gerrits geschreven. Op 2 februari 1945 werd Henriët vanuit Amersfoort naar Duitsland gedeporteerd. Henriët kwam in het concentratiekamp Neuengamme bij Hamburg terecht. Het lag in een van de somberste en droefgeestigste streken van Duitsland, in het ongezonde moerasland langs de Elbe, ten zuidwesten van Hamburg. Een plek waar niets dan eindeloze en grauwe eentonigheid heerste. Medegevangenen in dit kamp, met wie hij tot het laatst toe zijn brood deelde, waren vol lof over zijn zorgzame vriendschap. Zelfs hier, in het voorportaal van de dood, heeft hij al of niet gedwongen tekeningen gemaakt, waaronder portretten van zowel gevangenen, als Duitsers. Volgens kenners waren de in het kamp gemaakte portretten de beste. Helaas zijn er veel verloren gegaan.
De ondergang van de Cap Arcona
Op 20 april 1945 was het Engelse leger het kamp zo dicht genaderd, dat de nazi’s het niet langer veilig oordeeldende gevangenen daar te laten. Besloten werd hen af te voeren naar Lübeck. Daar aangekomen werden ze binnen de boorden van de “Cap Arcona”, een gewezen luxe passagiersschip, en in de ruimen van de vrachtschepen de “Athen” en de “Tielbeck” samengeperst, die in de Lübeckse baai voor anker lagen. De bedoeling was deze politieke gevangenen naar het neutrale Zweden te transporteren om ze daar vrij te laten. In de bocht van Lübeck lagen ook veel andere Duitse schepen, die troepen en materiaal naar elders moesten overbrengen. Nadat het grootste deel van deze schepen in de nacht van 2 op 3 mei 1945 was vertrokken, werden ze verder op hun route aangevallen door Engelse vliegtuigen en voor een groot deel vernietigd. De drie gevangenenschepen waren achtergebleven op de plek waar zij eerder waren afgemeerd. Toen boven het vasteland grote rookkolommen opstegen, wat duidde op de nadering van Engelse tankcolonnes, besloten de gevangenen op de schepen een opstand te organiseren, de Duitse SS-bewaking te vernietigen en daarna met de bevrijders contact te leggen. Spoedig vielen de eerste bommen naast de “Cap Arcona” in zee, direct gevolgd door salvo’s van de boordwapens. Aan boord van het passagiersschip speelden zich onbeschrijfbare tonelen af. Een van de overlevenden was de latere directeur van het Nederlandse Rode Kruis, Hans van Ketwich Verschuur. Om half drie in de middag zag Van Ketwich Verschuur door de patrijspoort van zijn hut opnieuw een eskader aankomen. Even later vielen de eerste bommen voor de boeg van zijn schip in het water. “Weg hier”, riep hij tegen zijn hutgenoten. Omdat hij bij de Stoomvaart Maatschappij Nederland had gewerkt, wist hij uit ervaring hoe schepen waren ingedeeld. Die kennis kwam hem toen goed van pas. Zo snel hij kon, klom hij naar het bovendek. Toen het volgende eskader overkwam, troffen de bommen het schip midscheeps. Er brak brand uit en het schip helde onmiddellijk zwaar over. Mensen en meubilair schoven naar de railing. Van Ketwich Verschuur zag de paniek, meubilair werd overboord gesmeten om als reddingsvlot te dienen, mensen sprongen overboord, waarvan er velen werden getroffen en gedood door het vallende meubilair, anderen verdronken in het ijskoude water. De chaos was onbeschrijfelijk. Bommen vielen, scherven en brokstukken vlogen in het rond, er werd geschoten. Ook de “Thielbeck” werd getroffen, kapseisde en zonk onmiddellijk. Alle achtentwintighonderd mensen die aan boord waren kwamen om. Van Ketwich Verschuur wist ondertussen de brug van het schip te bereiken, vandaar sprong hij op het ijzeren voordek, waarbij hij een voet beschadigde. Hij kroop door het `kluisgat’ en liet zich vervolgens langs de ketting zakken en in het water vallen, ver weg van de wanhopige tonelen aan de zijkant van het schip. Zo snel hij kon zwom hij weg van de “Cap Arcona”, waarop nog steeds duizenden voor hun leven vochten. Er voeren twee `Schnellboten’ van de Kriegsmarine rond om bemanningsleden en bewakers op te vissen. Ondertussen schoten zij niet alleen op de overvliegende eskaders, maar ook op de in het water drijvende gevangenen. Alleen drenkelingen die het geroep van de Duitse bemanning van de Schnellboten in het Duits beantwoordden, werden aan boord genomen. Zo ging dat ook met Van Ketwich Verschuur. Toen een van de boten in zijn buurt kwam, riep Hans in het Duits een matroos aan, die hem vervolgens uit het water viste en aan boord nam. De Cap Arcona maakte nu ook flink slagzij. Mensen zochten een plek op de naar bovengekeerde zijwand. Daar zaten ze niet lang: door de brand die in het schip woedde, werd het dek warm, hun enige uitweg was het ijskoude water. De overlevenden werden aan land gebracht, waar zij door auto’s van de marine werden opgehaald en naar Neustadt overgebracht en werden daar ontvangen door Engelsen, die kort tevoren in deze plaats waren aangekomen. Zo gebeurde dat ook Van Ketwich Verschuur. Hans kreeg onmiddellijk warme kleding en dat ging heel simpel. Een Duitse marineofficier moest zijn warme spullen afgeven tot en met zijn lange bontjas, die ten overvloede met schapenbont was gevoerd. De man was op weg naar het Oostfront. Ongeveer vierhonderd mensen van de Cap Arcona werden uit het water gehaald. De schatting is dat tussen de acht- en tienduizend gevangenen zijn omgekomen, waaronder vele Hollanders. De Neustadter Bucht werd een groot massagraf. De lijken die aanspoelden of uit het water werden opgevist, zijn begraven op het `Cap Arcona kerkhof’ in Neustadt. Van Ketwich Verschuur heeft nog vergeefs gezocht naar kameraden. In het marinehospitaal werd zijn voet gegipst; als herinnering krijgt hij een grijze deken mee waarop Kriegsmarine staat. Tot de dag dat hij en zijn vrienden de beschikking kregen over een auto, maakte Hans zich verdienstelijk als tolk. Op weg naar huis, moesten ze bij het passeren van de grens bij Enschede de auto achterlaten. Op 8 mei 1945 kwam hij aan in Nijmegen. Een afschuwelijke reis van twee jaar en negen maanden is ten einde. Wanneer hij jaren nadien met een bevriende Engelse luchtvaartattaché over zijn ervaringen praat, hoort deze hem aan, zwijgt even en zegt dan: “I am the wingcommander that bombed your ship.” Uit verklaringen van Engelse commandanten bleek dat kon worden vastgesteld dat de “Cap Arcona”, een groot nieuw passagiersschip van 28.000 ton, toebehorend aan de Hamburg-Amerikalijn, was aangezien voor een troepentransportschip dat van de eerder gesignaleerde concentratie schepen deel uitmaakte. Deze mening werd nog eens versterkt doordat de Duitsers met hun afweergeschut het vuur op de vliegtuigen beantwoordden. Aan boord bevonden zich omstreeks 8000 gevangenen. De opvarenden van de “Athen”, die kort voor de aanval naar binnen waren gevaren, konden met 2000 man geheel worden gered. Van de beide andere schepen, die na elkaar in de golven verdwenen, bedroeg het aantal geredden niet meer dan 500 personen. Ger Gerrits heeft nog met overlevenden van deze ramp gesproken en ook zij waren onder de 15 indruk van het barmhartig optreden van Henriët. Ook hier deelde hij elke kruimel brood en gaf hij zijn muts aan een zieke kameraad die er geen had. Middels een op 28 februari 1948 gedateerde brief van het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis, maakte de plaatsvervangende directeur van het Nederlandse Rode Kruis, J. van de Vosse, aan mevrouw G.A. Henriët-Sluyter, (Alexanderstraat 2 hs, Amsterdam), bekend dat: ‘tot mijn leedwezen rust op mij de plicht u mede te deen, zij het wellicht ten overvloede, dat bij mijn Bureau volgens getuigenverklaringen van de Heer J.H. van Bork, Da Costakade 91 II te Amsterdam en de Heer H.P.J. van Ketwich Verschuur, Directeur Generaal van het Nederlandse Rode Kruis, het officiële overlijdensbericht is binnengekomen van Hendricus Antonius Henriët. Geboren op 12 juli 1903 te Amsterdam. Het verscheiden heeft plaatsgevonden op 3 mei 1945 bij de scheepsramp van de “Cap Arcona” in de Lübeckerbocht.