Bop 24-09-2019
Welkom allemaal!
Waar begin je als zoon met iets te zeggen over je overleden vader? Uit welke van de duizenden laatjes moet of mag je putten?
Sommige laadjes staan wijd open, half open, en anderen zitten op slot.
Ik spreek als zoon en vanuit mijn perspectief- dat is geen harde waarheid maar slechts herinnering en interpretatie. Maar ik zou mezelf en Bop verloochenen als ik het anders zou zeggen. Er zijn ontelbare mooie herinneringen en er is Pain that’s been forgotten and a lot of things I try not to recall.
De olifanten in de kamer laat ik hier onbesproken; dat heb ik eenzijdig met Bop afgesproken toen hij zijn ogen al had gesloten.
Bop wilde dit niet. “Zet mij maar bij het grof vuil”. Toch heb ik hem na een bezoek aan Els die in haar huis opgebaard lag weten te overtuigen iets te organiseren voor een ieder die hem gekend heeft. En hier zijn we dan.
Bop, mijn vader was onze held, zachtmoedig en een held. Van jongs af aan dringen de indrukken zich op, de verhalen en beelden en duidingen achteraf.
Door zijn voorbeeld- en dat van Els niet te vergeten- was opkomen voor de underdog met de paplepel ingegoten. Dus altijd tussenbeide komen en in de bres springen voor dat geplaagde klasgenootje.
Hoe Bop vertelde over Wapenveld en een man, die dronken van zijn fiets was getuimeld en het gereformeerde publiek langsliep en hem als een stuk vuil liet liggen. Bop plukte hem van de straat en zo zat hij met enige regelmaat bij ons thuis in een stoel aan de oude Jenever. Arjen en ik waren alleen maar nieuwsgierig en vonden het altijd intrigerend zo’n bezoeker en luisterden met rode oortjes mee.
Cees van Tienhoven was een baron die als tankcommandant met het geallieerde leger Bergen-Belsen had bevrijd en er nooit meer bovenop was gekomen. Bij ons was hij altijd welkom. Ook voor Els was dit geen vraag.
Zo lag er altijd onverwachts wel iemand op de sofa als we beneden kwamen. Oom Ernst, een Hongaarse vluchteling en soms een jongen van zijn werk uit een tehuis.
Bop gaf zijn laatste gulden of warme trui weg. Dat maakte hem voor veel mensen een heilige, wat we dan ook vaak terug horen. Voor ons was het soms lastig omdat vaak de buitenwereld belangrijker leek dan het gezin.
Voor Sinterklaas kregen we een oude trein met rails die hij van de zolder van zijn jongenstehuis had gehaald. Na wat horten en stoten begaf het ding het na tien centimeter rijden en was de deceptie groot, maar vond ik het als klein kereltje toch aandoenlijk en probeerde mijn teleurstelling te verbergen. Naar voetbal kregen we schoenen mee die uit begin jaren vijftig stamden. De hilariteit toen wij aankwamen was te erg. Verspilling was iets dat Bop gewoon niet kon aanzien.
Goede herinneringen zijn gelukkig legio. De vakanties op Vlieland waar Bop dan een week of misschien twee naartoe kwam. Snorkelen in Bretagne. Het zeilen met de Staverse Jol en later de avonturen op de Dolle Mina (die naam gaf hij uit eerbied aan onze boot omdat Els actief werd in Man Vrouw Maatschappij). Een zeiljacht waar op zich een boek over te schrijven is maar waar we in verschillende samenstelling met Arjen, Atilla en Bram vaak op hebben gezeild. Met een opkomende storm met zijn drieën de vastgelopen kluiver op het voordek naar beneden proberen te krijgen, tot onze enkels in het water wat over het voordek kwam. “Trekken stelletje Oetlullen!” Geen life-line, zwemvest of zelfs reddingsboot. Twee weken lang witte bonen in tomatensaus met een tartaartje of gebakken eieren met spek. En ’s avonds zware shag, bier en klaverjassen of toepen, de kajuit stond blauw.
Onconventioneel was Bop – en ook Els- op alle fronten. Zo namen ze ons – ik was een jaar of 8-9 mee naar de film de slag om de Njeretva over het partizanen verzet van het Joegoslavië in de 2e wereldoorlog. Daar stonden wij tussen allerlei verstoord kijkende volwassenen. We gingen al vroeg naar Carré of naar tentoonstellingen zoals in het Stedelijk museum waar Theo Klei en allerlei mensen van de Insecten Secte in het wit rondfladderden. Of naar een feest van de filosoof Fons Elders waar zo bleek toen we binnenkwamen de gastheer in de huiskamer op een bed lag waarbij zijn piemel werd vastgehouden door de dame naast hem (zijn vrouw?) en bijna iedereen naakt rondliep en er stelletjes samen in een tobbe zaten. Wij keken onze ogen uit maar het was niet helemaal wat Els en Bop hadden verwacht. Zij vonden gewoon dat wij ook wel mee mochten naar een feest. Uiteindelijk sliepen we bij zijn kinderen op de kamer.
Toen hij de eerste keer een tijd bij Els weg ging, verbleef hij op een woonboot aan de Brouwergracht. Mijn broer Arjen en ik een jaar of 13 en 15 denk ik met de trein naar Amsterdam, mijn grote broer wees de weg. Zonder smartphone en met een paar tientjes op pad. ’s Avonds nam hij ons mee, lopend naar de bioscoop bij het Leidseplein om daar A Space Odyssee te zien wat een verpletterende indruk maakte. We sliepen in het koude ruim op iets van een matje en wat oude dekens met wat oud brood met kaas als ontbijt. Maar we kenden Bop en voelden zijn liefde.
Later, na de scheiding van Bop en Els in Utrecht werden we al snel op onszelf teruggeworpen. Klaar met school loste ik samen met Arjen posttreinen in de late dienst op het station, en zo dopten we onze eigen boontjes. Arjen zocht zijn weg in Amersfoort bij de familie van Jose en ik pakte de kans aan om met 17 jaar in dienst te gaan. L’histoire se répète.
Adam, Adam was zijn oudere broer die hij verafgoodde. Samen waren ze aan het eind van de oorlog naar Drenthe gelopen om daar bij turfstekers de honger te kunnen stillen. Arme lui die twee jongens uit Amsterdam opnamen. De briefjes die hij naar zijn moeder Mien stuurde met de boodschap dat hij roggebrood met spek te eten had gekregen. Aan Bop zijn manier van eten is het altijd te zien geweest, hij at alsof hij een gamel van de gaarkeuken uitschraapte, geen kruimel ging verloren. Ook in Vondelstede harkte hij de door mij apart gelegde vetrandjes en botjes met een guitige blik gretig en met een frivool boogje naar binnen.
Adam, zijn broer waar hij mee aanmonsterde op de grote vaart om de spanningen thuis te ontvluchten. Waarmee hij zwom in de haven van Vera Cruz totdat mensen op de kade hen toeschreeuwden dat het wemelde van de haaien. Voor het slapen: “Toe Bop vertel nog eens van je schipbreuk en dat onbewoonde eiland”. Hij verzon dan een verhaal.
Adam, de broer die hij – zo zei hij- nog elke dag mistte en waarom zijn verjaardag nooit een vrolijk gebeuren werd omdat Adam in de maand november begin jaren zestig door een ongeval om het leven kwam. Zijn getalenteerde broer die hij had gestimuleerd om een cursus steenhouwen te doen omdat het mes dan aan twee kanten sneed: Steenhouwer en kunstenaar. Zelf had hij ook zoveel talent, hij was muzikaal, speelde Bach op zijn altblokfluit en tekende veel in de jaren op de Buntlaan. Maar ergens vond hij zichzelf nooit helemaal goed genoeg en stelde hij zich in dienst van anderen…
De spanningen thuis door de oorlog en een ondergedoken Joodse stiefvader, onze opa Bernard. De oorlog die nooit ver weg was en terug kwam in verhalen en discussies op verjaardagen. Hoe Bernard in het ziekenhuis werd verraden en over de daken vluchtte voor de Sicherheitsdienst. Hoe zijn zus Hella door een NSB buurman gevraagd werd waar haar stiefvader – die in hun huis achter een schot ondergedoken zat- toch was. Over Henk Henriët die vanuit het communistisch verzet voedselbonnen kwam brengen, later werd gepakt in Putten en in kamp Amersfoort belande. De heldhaftige oom Arie die verkleed als Gestapo man hem wilde bevrijden hem niet vond en uiteindelijk Teun de Vries meenam.
Bram, zijn in 1939 overleden vader waar ik hem nooit over hoorde maar ook door anderen in verhalen op verjaardagen altijd ter sprake kwam. Na de scheiding van Els bouwde hij een nieuw leven op, eerst met Janine en later met Wicky en Joeri. Hij sprak nooit meer over ons gezamenlijke verleden; onze geschiedenis vervaagde helaas door gebrek aan onderhoud. Hij kon het denk ik niet aan.
Ondanks dat Bop mij ooit vertelde meer te overleven dan te leven gaf hij met zijn onafgebroken optimisme en humor toch een ander beeld. Vooral wanneer er iets niet ging en als er moest worden geïmproviseerd kwam hij op gang. Met zijn originele kijk op dingen en onverwachte kwinkslagen kon hij de boel redden. When the going gets tough, the tough get going.
De laatste jaren Vondelstede is hij manmoedig aangegaan, hoezeer hij ook bij Wicky had willen blijven. Ook weer met humor en taaiheid ging hij zijn dementie te lijf en noemde zichzelf Dementor.
De meeste bewoners, verplegenden en verzorgenden waren gek op hem en de laatsten hebben hem- soms tegen de verdrukking in- met liefde verzorgd. En altijd was er Wicky die een bloemetje meebracht en hem vertroetelde. En was er Dorus, zijn hond, die ook in Vondelstede aan zijn voeten lag. “Hey, daar ligt Dorus” zei hij kijkend naar een hoek in zijn kamer. Bobbie, Layka en Dorus waren door de jaren heen zijn makkers.
Af en toe haalden we Bop naar huis waar hij van genoot en ook altijd communicatiever van werd, lekker in de tuin met zijn kop in de zon. Twee keer hebben we hem al strompelend de zee in gegooid. De laatste keer was twee jaar geleden “Ik voel mij herboren” bracht hij uit.
Drie-en-een-half jaar zijn we op en neer gereden naar Amsterdam. Meestal op zondag en soms een keer extra. Mocht ik een keer twijfelen dan zeiden Daan en Sven: Ga je wel naar Bop?! Ga anders zaterdag! Ze gingen altijd mee, soms met zijn tweeën of een van de twee. Bij het afscheid altijd een hug of een klopje op zijn hand. Tot volgende week Bop!
Wanneer hij bij ons thuis was speelde ik zo goed en kwaad als het ging een aantal nummers op de gitaar. Dan vertelde hij mij later in de auto dat zijn broer zo fijn had gezongen. Meestal Johnny Cash waarvan hij in de jaren zeventig in de auto vaak A boy named Sue of een andere hit meezong. In de tijd dat het in wat linksere kringen echt not done was om dit soort platte Red Neck- achtige muziek te waarderen. Bop had lak aan dat soort conventies: He was his own man, his own boss.
Je was een mooie vent Bop en een coole vader!
Vandaar nu twee liedjes:
Folsom Prison en Louise