Hoofdstuk I
De bloeiende bongerd te Bergen N-H
Else Veronica Schuil, geboren op 15 mei 1936 in Bergen Noord Holland op de Buerweg in het huis met de naam “” De bloeiende bongerd”’
Gebouwd in 1933 door Hans Elten een leerling van Rietveld, een plat dak een ronding aan de voorkant waar de trap zich bevond grote ramen en aan de achterkant een gazon dat volstond met ereprijs in de maand mei, vandaar mijn tweede naam Veronica Latijn voor Ereprijs.
Vader leraar biologie, frans en Nederlands aan de ULO school. Moeder was wijkverpleegkundige in Amsterdam.
Zuster Ruth geboren 1930 in het betondorp te Amsterdam
Mijn ouders lieten het huis bouwen en kochten het land van de heer van Rhenen, heer van Bergen. Er luidde een verordening dat men kippen mocht houden maar slechts een haan.
Het huis was heel licht, beneden was een woonkamer met doorgeefluik en doorgeefkasten naar de keuken, precies zoals ik in juni jl zag in een van de Bauhaus villas in Dessau. De eiken eettafel was een beetje in Berlage stijl erboven hing een houten lamp met shantung, art deco? Er stond een piano, die staat nu bij mij in Utrecht. Een geel zitje harde rechte stoelen, gemaakt door mijn vader, met blauwe kussens. Een kinder ambeublementje oranje, waarschijnlijk ook door hem gemaakt. Naast een schoorsteenmantel van glanzende zwarte steentje, waar- in de oorlog- het vuurduveltje stond, bevond zich een divan met een kleed met strepen, zodat we daar kamers fantaseerden voor onze papieren poppen.
Boven een badkamer met ligbad en tweede w.c. en drie slaapkamers en een studeerkamer met een geel bureau en veel boeken. Op alle kamers een vaste wastafel en centrale verwarming, die ik nauwelijks heb brandend heb meegemaakt, niet in en niet vlak na de oorlog, behalve als Opa en Oma de Leth kwamen logeren.
Een luxueus huis voor een gewone onderwijzer, maar ook een aantal kunstenaars woonde in nog riantere villa’s bij ons in de buurt.
De Buerweg was een onverharde weg met een schelpenpaadje voor de fietsers.
Achter ons huis lag de boomgaard van tante Bertha, oom Cor, Opa en Oma Bruin, daar zat Charlie Toorop in het voorjaar de appelbomen te schilderen. Na haar hersenbloeding schuifelde ze over het weggetje met haar schildersezel en haar zonnehoed op, naar de buren. Tussen ons huis en het hare lag een keuterboerderijtje, daar woonde de Akerbooms, met zoon Wouter, mijn speelkameraad.
Aan de achterkant van ons huis liep over de lengte van de bovenverdieping een balkon dat uitkeek op de kippenboeten van Akerboom en de manege waar de rijken, paard reden.
Tegenover woonden Huub en Marian Worm, met hun ouders Piet en Titia beiden schilders, dat waren mijn vriendinnetjes tot dat ze moesten evacueren en ik alleen Wouter nog over had. Verder waren er in ons buurtje geen kinderen en we woonden ver van het dorp, zo’n twintig minuten lopen.
De familie Grunwald woonde ook tegenover ons, met twee zoons Dolf Hans, de oudste, waar mijn zuster na de oorlog mee op het Gym zat en Jaap, die met de prinsessen op school ging in Bilthoven In de oorlog moesten zij onderduiken.
Er waren nog veel meer buren, waarvan velen oom en tante werden genoemd en anderen niet.
Bergen was een prachtig dorp, met de Ruinekerk, de Bergensche boekhandel het café de Pilaren, waar Jani Roland Holst natuurlijk kwam en Jacques Brel optrad, helaas was ik daar niet bij, dat alles is er nog.
Het plein met het stationnetje, met Bello, locomotief van de tram die van Alkmaar naar Bergen aan zee reed, en zomers alles meekon nemen strandwagens, fietsen, mensen en waar wij af en toe mee naar school mochten als er echt niet te fietsen was, in de winter, na de oorlog wel te verstaan.
Dat plein is verdwenen inclusief tram, nu vind ik het een lelijke plek en bussen moeten over de smalle Eeuwigelaan naar zee, als er al bussen gaan.. Zo dom!
Nu vind ik het nog een van de mooiste duinstreken van het land met weilanden, polders, bossen, duinen en strand.
De Buerweg is verhard, en het staat nu vol met peperdure huizen, suikervillas soms, evenzo aan de Eeuwigelaan, gigantische hekken, zeeën van licht voor de beveiliging.
Als kind liep ik van het dorpshuis tegenover de Ruinekerk, over de Hoflaan tot de Ronde Kom, dan volgde de Eeuwigelaan, aan de zijkant was het wandelpad en walletjes met bomen, daar woonden de kabouters en die hadden kleine badjes in de boomholtes. Als je die walletjes had afgelopen kwam je bij de brievenbus naast een stenen bank op de hoek van de Mosselenbuurt, een klinkerweg met een brede gracht ernaast met altijd groen kroos, daar schaatsen we op in de winter en de klinkerweg was uitstekend om te tollen. Halverwege was het Nachtegalenlaantje, dat slingerend weer op de Buerweg uitkwam.
De Mosselenbuurt moest je dus in, na het Nachtegalenlaantje kwam de Buerweg en liep je recht door dan kwam je op de Voert, die naar het Woud leidde
Aan de Voert woonde de katholieke boeren de Koning en met veel kinderen, waar ik nooit mee heb gespeeld, maar Ruth had een gang met die jongens en met Rob en Koen Valkhof ,die om de hoek aan het Nachtegalenlaantje woonde in een kabouterhuisje..
Bovenstaand wandelingetje is nog precies zo te doen, in mijn herinnering duurde het eeuwig, nu twintig minuten en de Voert is nog heel mooi, maar grutto’s wulpen en kieviten zijn verdwenen.
Bergen – een tijdelijke onderbreking
Een fotootje: Ruth zit op het balkon met mij als baby op schoot zomer 36
Nog een foto: Else 1jaar twee tanden
En dan ontbreekt ieder teken van mij als kind tot ik ongeveer vier ben: Vondelpark, Amsterdam met Ruth en Opa en Oma de Leth
Mijn moeder vertrok met ons toen ik een jaar was, eerst naar Amsterdam waar Ruth op school ging en later naar Hilversum, waar tante Siemp, een zuster van mijn moeder woonde. De enige herinnering aan die periode is: rennen rond een vijver met Ruth en Wikkie van Dijk, ik val er in en zit onder de modder en de bladeren.
15 mei 1940, ik zit in een kinderstoel, ik ben jarig en krijg een klein mondharmonicaatje.
We wonen tijdelijk in een arbeidershuisje in de polder bij Schoorl.
Ik zit op de commode in het huis in Bergen en er lopen soldaten met helmen in de tuin. Het is oorlog!
Op aandringen van wederzijdse families gingen mijn ouders maar weer samen wonen, Ruth herinnert zich dat we met een taxi uit Hilversum zijn gehaald en door allerlei wegversperringen reden.
Het huis was verhuurd en mijn vader woonde bij de familie Roos in Schoorl
We moeten in die Hilversumse jaren toch af en toe in Bergen zijn geweest in de schoolvakantie van Ruth? Er is toch nog een foto, door Dick van Bergen gemaakt en toen was ik drie? Schattige keurige kinderen met hun speelgoed.
Nog een, op de Veluwe, Doornspijk landgoed de Haere, bij Pork, daar kampeerden mijn vader sinds 1933, ik sta in vechthouding tegenover Kay van der Wilk.
Over de reden van mijn moeders vertrek, doen verschillende versies ode ronde, we weten het niet: Mijn vader had altijd veel vrouwen om zich heen, maar het waren platonische vriendschappen volgens mijn neven Gert en Martien, zoons van een broer en een zus van mijn vader. Die verschillende versies laat ik maar voor wat ze zijn.
Zij ontfermden zich over dozen met foto’s nadat mijn vader overleed in de zomer van 1985. Er waren sinds die scheiding in ‘36 geen foto’ s meer ingeplakt.
Hij zou een liefje hebben gehad in Oldebroek, van gereformeerde huize nota bene maar er is een foto van een jonge vrouw, en jaren later krijgen we een brief uit het Groningse van familie die wilden weten wie die Schuil geweest is waarmee hun kleindochter verkeerde. We hebben daar niet op gereageerd.
Mei 1940 Else woont weer in haar geboortehuis.
Mijn slaapkamer was aan de voorkant van het huis, het kwam uit op een groot balkon, dat aan de zijkant lag en begroeid was met bruidssluier, waar vogels in nestelden. Het was de blauwe kamer, er stond een kledingkast, een bed waarboven de watercontainer van de CV en een boekenkast met de “ rozemarijntjes” erin.
Ik was altijd een beetje bang dat die container een keer zou leeglopen.
Een grote gele teddybeer sliep bij me
.
Geen herinnering aan een kleuterschool, wel aan de eerste klas van de Openbare lagere school. Juffrouw Roos is de juf, de echte school is gevorderd door de Duitsers, dus zitten we in het dorpshuis. Ik zit in de klas met Woutertje Akerboom mijn buurjongen, Hanneke Roos van de banketbakker, de Juf is haar tante, Elly Schotten, haar vader is vrachtrijder, Trijnie Schermerhorn van de melkboer Jannie Schoen van de fotograaf, Kees Stroker, Sierd Eriks, vader is fabrikant, en nog vele anderen.
Wouter en ik zijn de enigen die buiten het dorp wonen.
Er zijn katholieke, protestantse scholen, een school met de bijbel en de particuliere Bosschool.
Op de laatste gaan voornamelijk kinderen van fabrikanten en sommige kunstenaars kinderen ook Adriaan van Dis zal ook deze school bezoeken in de jaren 50.
Wouter en ik liepen, reden soms mee op paard en wagen van zijn vader, hij kon er al rijdende opklimmen ik nooit
Naast de weg langs de Eeuwigelaan waren vierkante gaten, daar konden we in als er luchtalarm was..
Ik herinner me Mongoolse soldaten met laarzen, die langs die laan marcheerden
Het halve dorp wordt geëvacueerd in ’43 alleen diegenen die economisch van waarde zijn kunnen blijven. De Buerweg vertrekt behalve Akerboom en Bruin en wij en de postbode Ivang en zijn familie.
Ik speel met Wouter in de bosjes we jatten maïskolven we spelen in de kippenboeten ik eet er erwtensoep met kluif, vreselijk..we rijden op het Belgische paard. Speel ik met mijn zus? mogelijk de laatste jaren op de divan met de papieren poppen.
Ik ga op zondagschool zelf gekozen en ik ga af en toe met tante Bertha naar de hervormde kerk, met kerst maakt zij elk jaar voor ons een prachtige adventskalender. Zij kwam als Duits dienstmeisje naar Nederland en trouwde met Cor.
Achter ons huis tussen op de weg binnendoor naar Alkmaar ligt een klein vliegveld nu bezet door de Duitsers, dat wordt regelmatig beschoten. Omaatje Bruin is even naar de wc en als ze terugkomt zit er een kogel in haar stoel. Wij zijn een avond weg en boven het kussen op het bed van mijn zuster zit een kogel. Ik slaap op het veiligste kamertje de kogel moet eerst door de boekenkast op de studeer kamer en dan nog door een muur en kasten en ik heb mijn beer.
De Wc beneden is het schuilhok, de kogel moet eerst door de piano en de muur en dan pas……..
Er komt een tijd dat ik niet meer van school naar huis durf, waar was Wouter?
Ik blijf elke dag bij Jannie Schoen tot mijn vader me komt halen.
Dan ga ik drie maanden in Hilversum bij Opa en Oma de Leth wonen en daar op school, wanneer zal dat geweest zijn herfst 44?
Ze wonen op een kleine bovenwoning in Hilversum vlak bij de Groest Boodschappen halen we bij de coöperatie, was er dan nog eten?
Een woonkamer met buffet, daarop staat onder andere het oranje/ gele busje voor Zonnestraal.
Een slaapkamer en een klein keukentje, daar maakt Opa de dunne vlijmscherpe messen schoon met zand.
Ik slaap aan het voeteneind van het houten ledikant van Opa en Oma. Opa is astmatisch en heeft een pufapparaat.
Naast hen, beneden woont een katholiek gezin met twee meisjes, met hen ga ik naar de kerk, prachtig al die verkleedpartijen, kompleet theater! .
Op een gegeven moment ben ik weer thuis, boven in de badkamer word ik ontluisd.
Het is tegen kerst ik klop een kleedje uit bij de voordeur en zing een kerstliedje, een kleine boskabouter komt te voorschijn en zegt tegen mijn moeder die achter me staat dat ik hem doe denken aan zijn eigen kinderen, het is een Duitse soldaat.
De winter 44/45 mijn vader gaat op eten uit met Ruth, ze fietsen naar Doornspijk, waar ze alle boeren kennen, omdat we daar al jaren kamperen.
Ik kan me niet herinneren, dat ik honger had. Mijn moeder maakte stroop uit bloembollen.
Mevrouw Boissevain en tante Zus, twee dames uit Haarlem komen regelmatig bij ons om bij de boeren hier dingen te ruilen voor voedsel.
Hester Boissevain woont drie maanden bij ons, ze snapt helemaal niet dat wij bij luchtalarm de schuilkelder opzoeken op in de tuin van de Grunwalds, die weg zijn.
Mijn tante Chris, een zuster van mijn moeder, was ooit kinderjuf voor de tweeling Boissevain, Hester en Charles
Ik zie een foto voor me, dan zit Hester bij de Sparrenlaan op het trammetje te wachten met tante Chris, dat moet al na de oorlog geweest zijn. Ook herinner ik me dat Hester en ik in de Haarlemmerhout waren, wanneer? in de oorlog? na de oorlog? geen idee. Het geheugen is vaak onbetrouwbaar en onvolledig, hetzij zo.
We staan op het Wierdijkje, Ruth, moeder en ik, we kijken naar de voedseldroppings, er valt chocola uit de lucht.
Opeens komt er een verordening, ook wij moeten weg, evacueren naar het dorp. De Duisters plannen een V2 baan in de buurt van ons huis mijn vader mobiliseert de jongeren uit het dorp, leerlingen van Ulo en leden van de KJVO en ik zit in het dorpshuis en kijk uit het raam en zie Akerboom langs rijden met onze huisraad op zijn kar.
De Duitsers wilden ons huis bewonen, maar mijn vader en kompanen hadden alle elektriciteit er ook uit gehaald in zo een Schweinenstall wilden ze niet wonen. De V2 is er nooit gekomen: het was begin 45.
We wonen op de Emmalaan, midden in het dorp, daar vieren we de bevrijding en mijn negende verjaardag op 15 mei en zie: op het muurtje in de tuin zit Else met Rietje Zweed, Elly Schotten, Ineke Zoll en Trijnie Schermerhorn, ik woon in het dorp en heb vriendinnen, ach Woutertje is er niet bij!
In mijn herinnering kwamen er Canadese vliegers bij ons over de vloer, ik werd soms naar bed gebracht door een van hen, mijn zuster Ruth weet van niets.
Ik word op het matje geroepen door mijn moeder, op school had ik verteld dat ik gevlogen had met die Canadezen, zij hadden een vliegveldje op de weg naar Alkmaar. Vriendinnen kwamen het verhaal verifiëren, ik had gelogen. Het kan dus zijn dat ook het verhaal van die Canadezen die bij ons thuis kwamen uit mijn duim gezogen is.
Ons huiskonijn was ook mee verhuisd, een mooie rooie Vlaamse reus, die binnen woonde en op de kattenbak ging. Helaas toen we terugkeerden naar de Buerweg was ze opeens verdwenen, in de pan, niet bij ons, wij waren vegetariërs.
Er is een groot kampement vlakbij op het terrein voor de Volkshogeschool het oude hof, daar biets ik om kauwgom bij de Canadezen.
De oorlog is voorbij, niet alleen wij keerden terug naar de Buerweg, ook andere buurtgenoten: de familie Grunwald, Charlie Toorop, tante Aag en tante Uut, een andere familie Worm, de familie Valkhof bleef jammer genoeg in Alkmaar wonen. Op verjaardagen gingen we bij hen, tante Anneke en oom Rein films kijken: de gang uit Amerika over een boeventroepje kinderen. Beiden waren schrijver en ze hadden twee zoons in de leeftijd van mijn zuster; Rob en Koen, Rob woont al jaren naast ons voorouderlijk huis en Koen woont in Zuid Afrika. Mogelijk zie ik hem volgend jaar
De echte school is weer in gebruik, de van Rhenenschool. Een prachtig modern gebouw met een riante speelplaats, ik zit in de vierde klas bij meester Paasscha
Mijn zuster Ruth gaat al naar het Gymnasium in Alkmaar.
De joodse leraren hadden het allen overleefd, de rector Dr Hemelrijk overleefde het concentratiekamp en schreef zijn herinneringen op, de eerste druk werd gestencild op het Gym, ik las het toen ik dertien was en in de eerste klas zat
.
Ik ga ontzettend graag naar school, het was een moderne school, met veel zang en volksdans, buiten met de accordeon van meester Nijdam.
Er werden geweldige schoolreisjes georganiseerd, vanaf de vierde, niet een dag maar vier dagen.
We werden ondergebracht bij gezinnen de eerste reis ging naar Dordrecht, daar woonde ik met Arie Roos en nog twee andere scholieren, bij een notarisgezin met tien kinderen, daarna volgden Naarden en Oosterbeek.
Meester Nijdam was een vernieuwer, hij bedacht ook het takensysteem en een zevende klas, ik geloof dat die zevende klas bedoeld was voor de minder slimme vogels, waarna de meisjes naar de huishoudschool en de jongens naar de ambachtsschool zouden gaan.
Mijn vader was daar een fel tegenstander van, hij vond dat alle kinderen in ieder geval eerst de ULO moesten proberen. In het beleid van Nijdam werden kinderen qua klasse en geslacht al bij voorbaat vast gezet. Daarom bezocht hij alle ouders van zesdeklassers om ze te overtuigen hun kinderen eerst naar de ULO te laten gaan.
Ook mijn zuster en ik gingen eerst een jaar na de ULO, had je gemiddeld een acht, dan kon je doorstromen naar het Middelnaar onderwijs of op de ULO een klas overslaan. Zo kozen Elly Schotten en ik voor het Gymnasium, omdat Ruth een engelse leraar zo spannend vond, tegen de tijd dat wij Engels kregen was hij weg, pech!
Opeens komt er in het dorp een stroom nieuwelingen uit Indonesië ( voormalig Nederlands Indien) ze worden ondergebracht in pensions in particuliere huizen en we krijgen er nieuwe vrienden bij op school. Ik raak bevriend met de jongens Disse, die met hun moeder in het dorp wonen en waar ik voor het eerst nasi eet, zonder boter en suiker, zoals bij ons thuis.
De jongens van Vleuten zijn bijzonder populair op school, vooral katjang, we hadden geen idee dat het een scheldwoord was, Chris heette hij.
Hij trouwde met Trijnie Schermerhorn en startte een fysiotherapiepraktijk in het dorp.
De jongens Brand woonden in Bergen aan zee, in de z.g. Duitse kolonie, ik raakte bevriend met Kees en kwam tot mijn zeventiende daar veel over huis, niet wetend dat daar ook Adriaan van Dis woonde, dat ontdekte ik pas bij het lezen van Indische duinen.
Indische Nederlanders, Indo’s, totoks, begrippen die ik pas later zou leren kennen.
Dickie Dibbets zit bij mij in de klas, zijn moeder was een Indische Nederlandse, zij kwam naar Nederland met Pa, zo te zien een Indisch man, maar een echte aardappeleter, rijst kwam er niet in. Ze was zwanger en er waren al drie kinderen, en ze moest aarden in een volkomen vreemd land. Ze vroeg mijn vader om de zorg voor hem op zich te nemen ze kon het niet aan, maar mijn vader zei: “ een kind hoort bij de ouders.
Ma Dibbets leeft nog, ze wordt dit jaar 94 op 10 december en dan is er weer een feestje in het verzorgingshuis. Toen mijn vader zijn 85te verjaardag vierde met de hele jeugdvereniging in Bergen aan zee, waren Pa en Ma Dibbets daar ook met hun dochters Astrid en Heny, die op de ULO hadden gezeten. Vanaf die tijd heb ik die beiden opgezocht in hun huisje aan de Meerweg halverwege Alkmaar en Bergen
Mijn vader was dus leraar aan de ULO maar daarnaast had hij een jeugdvereniging op gericht omtrent 1934,die hij met mijn moeder leidde. Oom Bert en tante Loes van de Buerweg waren – en zijn dat nog bij een aantal ouderen – een begrip in het dorp.Voordat ik mijn avonturen na de oorlog vertel zal ik eerst uit de doeken doen wat voor een vereniging het was, want ik ben met en in die vereniging groot geworden en de avonturen zijn daar ook grotendeels, mee verbonden.