Zes of zeven moet ik zijn geweest, we stonden zoals gebruikelijk op vak groen. De hele zomervakantie op Vlieland met mijn moeder, broer en oom en tante en drie neven.
Mijn vader bracht ons, ging weer werken en kwam ergens nog een week langs dat was altijd een verrassing. Deze keer had hij voor mijn broer en mij een rode zaklamp meegenomen, zo een die openklapte en waar dan zo’n grote platte batterij in moest.
Wij sliepen apart van mijn ouders een meter of twintig van hun tent in een tentje van Vendex- het heeft het twintig jaar volgehouden.
We speelden de hele dag in de duinen of op het strand kwamen alleen thuis voor een boterham. Er was ook een familie uit Utrecht met twee oudere jongens Haas en Peter Querngester, zij gingen naar de Vliehors zeevissen of schuimden de boel af naar kogels of andere militaire attributen. Wij vonden ze echt stoer. Thea, hun moeder, was een soort tante voor ons.
Op een avond was het plan ontstaan om ’s nachts naar de Konijnenberg te gaan. Het grote duin met een gat er in wat tegenwoordig bekend staat als ‘de Kleine Arena’. Ergens rond een uur of twee, drie ’s nachts werden mijn broer en ik gewekt. Alle ouders sliepen en wij slopen naar het hek om er onder door te kruipen. Ergens in een volgend ogenblik lagen we over de rand van de konijnenberg te turen naar het weilandje en zagen daar twee mannen in de weer. “Stropers!” werd er gefluisterd. Inderdaad zagen we de mannen scharrelen en morrelen. Toen we met onze spiksplinternieuwe zaklampen gingen schijnen gingen ze er vandoor.
We besloten de volgende dag naar de boswachter te gaan en daar melding te maken van hetgeen we hadden ontdekt. Zo gezegd zo gedaan. De volgende ochtend samen met de boswachter het gebied afgezocht en met een stok inderdaad een stuk of vier konijnen vallen laten dichtklappen.

