We woonden in Wapenveld. Via Amsterdam en Heerde waren we hier beland. Het dorp lag in de zogenaamde bible belt en wij waren die zonderlingen uit Amsterdam.
Onze tuin was een rommeltje van wat leuke struiken, lupines en God weet wat. Geen coniferen en aangeharkte borders. De schande van de buurt.
Soms kwamen er vrienden of familie op bezoek en per definitie altijd zonderlingen.
Ik was een jaar of vier en soms als ik beneden kwam lag er weer iemand op de divan te slapen. Was het Tibor de gevluchte Hongaar? Of mijn oom Ernst van mijn Joodse (stief)opa? Op een morgen lag Tibor er, naast de divan stonden twee prachtige dozen met in elk een prachtige modelauto. Voor ons? Ja! Arjen koos de Amerikaan crème met rode strepen en ik de blauwe Volvo kattenrug. Afstand bestuurbaar met zo’n plastic draad waar een ijzeren spiraal doorliep, op de afstand besturing zo’n wieltje.
Mijn vader had een toen al oude DKW en lag op een zondagochtend samen met zijn broer Ernst te sleutelen. Ernst was lang en dun met een reusachtige zwarte krullenbol. Op het moment dat zij aan de auto bezig waren liep de kerk uit en kwam er een stoet mensen door onze straat, zagen Ernst en zeiden misprijzend: ” Kijk dat is er een van het Jodenvolk!”.