Het was 1985 en ik was aangenomen voor de functie van nachtwacht op het kampeerterrein Stortemelk. De jaren ervoor had ik tijdens mijn vakantie het recreatieteam geholpen dat een drietal jaar door mijn neef Bram Zaborszky en Paul van Brugge werd aangevoerd.


In die jaren hielp ik met de voorstellingen, gaf soms de 5 km training. We maakten liedjes voor de optredens in de kantine of grote zaal.
Ik ging met vakantie naar Vlieland toe (P. Van Bruggen, T. Jansma, 1984)
Ik ging met vakantie naar Vlieland toe, had gewerkt was nogal moe.
Met het plan in mijn hoofd om niet eenzaam te zijn; Zon, zee en meiden dat leek mij wel fijn.
Refr.
Maar ik ben verlegen ben niet zo gevat, dus loop ik hier eenzaam op het wad,
Ik zou liever wandelen met jou aan mijn zij, maar ik kan niet, ik wil niet, durf niet dichterbij.?
Dit is wat ik uit mijn geheugen krijg opgediept. Er waren nog twee coupletten waarbij zij elkaar uiteindelijk vonden. Bij het kinderuurtje was er ‘De Tandenborstelboogy’. Daarnaast was er een lied van Karel Kraaijenhof die in de Bolder werkte. Het was een tango Chocolala geheten dat door de hele staf luidkeels werd meegezongen.

Nu dus als nachtwacht. Samen met Marco van Poeteren liep ik de nachtdienst, we hielpen bij de kaartverkoop, het opbouwen en opruimen na een voorstelling. Zetten de letters op de dakrand voor het volgende optreden en stonden vanaf 0:30 aan de poort. Meestal kwam er iemand van de politie even polshoogte nemen en een praatje maken. Ik meen dat een van hen Jan van der Veen was – de huidige directeur van Stortemelk.

Vanuit het bos hoorde je het gelach, gelal en geschreeuw van de beschonken jongeren die zich langzaam in drommen of kleine groepjes en soms toute seule zich een weg naar de camping baanden. Dat duurde tot een uur of twee, half drie. Dan gingen Marco en ik de camping op spraken de te luide gasten aan of maanden ze aan om op het strand verder te feesten. Tegen een uur of vier, vijf keerde de rust terug. Wanneer de zon langzaam opkwam gingen Marko en ik op de duinovergang zitten met een biertje mijmerden wat en gingen rond acht uur naar ons bed.
Soms wanneer iemand het te bond had gemaakt dan namen we het label in en moest de betrokkene zich om half drie ’s middags melden op kantoor bij Bijtelaar, de toenmalige directeur. Dit was echt iets wat we wilden vermijden omdat het ons onze toch al wat moeizame dagrust kostte en we dan samen met ‘ De Bijt’ het een en ander moesten bespreken. Bijtelaar had er ook geen trek in want hij moest een sanctie opleggen. Papierprikken was toen al uit meen ik dus meestal werd het een ‘ laatste waarschuwing’.
Hans had een aparte manier om een gesprek te voeren. Hij eindigde bijna elke zin met een stelling die hij vragend uitsprak. Je kon het op deze manier eigenlijk alleen maar met hem eens zijn.
Ik sliep in het tentje dat mijn ouders een jaar of acht eerder hadden gekocht. Een Bergeend van De Waard. Op het moment van schrijven kijk ik naar dit zelfde tentje en wordt het gebruikt door mijn zoon van veertien.
